Mannen die seks hebben met mannen (MSM)
Van alle bezoekers van de soa-polikliniek behoort 19,2 procent tot de groep mannen met homoseksuele contacten (MSM). Met een percentage positieve testen van zo’n 20 procent zijn MSM de belangrijkste risicogroep voor soa’s en hiv. Ook wordt bij hen het vaakst een dubbelinfectie gezien (meestal chlamydia en gonorroe): 44 procent van het aantal dubbelinfecties wordt bij deze groep gevonden (proefschrift M. van Veen, 2010).
Transmissie van hiv via homoseksueel contact is in Nederland de meest voorkomende verspreidingsroute. Van het totaal aantal hiv-diagnoses geregistreerd in 2011, was 67 procent bij MSM. Ook syfilis wordt vooral bij MSM gevonden: 90 procent van het aantal syfilisdiagnoses wordt gesteld bij deze groep. In 2011 werd 55 procent van het totaal aantal gonorroediagnoses vastgesteld onder MSM. (RIVM rapport, 2012)
Jongeren
Ongeveer 44 procent van de bezoekers van de GGD-soa-poliklinieken is jonger dan 25 jaar (RIVM rapport 2012). Jongeren lopen relatief gezien een grote kans op het oplopen van soa. Vooral chlamydia (en in mindere mate gonorroe) wordt onder deze groep veel gezien. Van de jonge soa-polikliniekbezoekers van 15-19 jaar wordt bij 18 procent chlamydia gevonden. Voor gonorroe is dat 3,3 procent .
Overige soa’s komen onder jongeren in mindere mate voor. In 2011 werd bij 86 jongeren een nieuwe hiv-infectie gediagnosticeerd (57 MSM, 26 hetero, 3 onbekend). Dit ongeveer 10,7 procent van het totaal aantal hiv-diagnoses gesteld in 2011 (RIVM, 2012).
Etnische minderheden
Sinds 2011 wordt op de soa-poliklinieken etniciteit anders gedefinieerd dan daarvoor. Tot en met 2010 werd de etniciteit bepaald op basis van zelfrapportage. Vanaf 2011 gebeurt dit op grond van het land van geboorte van de bezoeker en zijn of haar ouders. De data op basis van etniciteit zijn daarom vanaf 2011 niet meer vergelijkbaar met de jaren ervoor. Was in 2010 15,6 procent van de bezoekers naar eigen zeggen van niet-Nederlandse afkomst, in 2011 was, naar land van geboorte van de persoon zelf en de ouders, 35,2 procent van niet-Nederlandse afkomst.
Etnische minderheden die op de soa-polikliniek kwamen, waren vooral Surinamers (6 procent ), Aziaten (4,3 procent ), Oost-Europeanen (3,2 procent ), Nederlands Antillianen/Arubanen (2,8 procent ), Latijns-Amerikanen (2,3 procent ), Noord Afrikanen/Marokkanen (2,2 procent ) en Sub-Saharaans Afrikanen (2,2 procent ).
Het percentage positief getesten onder etnische minderheden was vooral hoog bij MSM uit deze groepen. Bij MSM van Nederlands Antilliaans/Arubaanse, Sub-Saharaans Afrikaanse, Oost-Europese, en Latijns-Amerikaanse afkomst was het percentage positief geteste boven de 25 procent . Het percentage positief getest was bij Surinaamse en Nederlands Antilliaanse/Arubaanse heteroseksuele mannen bijna 25 procent . (RIVM rapport, 2012)

Figuur 1. Aantal soa-polikliniek consultaties en vindpercentage in Nederland naar etniciteit en seksuele voorkeur.
Chlamydia en Gonorroe
Positivity rate voor chlamydia is 11,5 procent . Chlamydia wordt relatief het meest vastgesteld bij Surinaamse (20,6 procent ) en Antilliaanse/Arubaanse heteroseksuele mannen (20,6 procent ) (RIVM rapport 2012). Positivity rate voor gonorroe is 3,2 procent . Postivity rates van boven de 10 procent komen voor bij MSM uit de volgende etnische groepen: Turkije, Nederlandse Antillen/Aruba, Sub-Saharaans Afrika, Oost-Europa en Latijns-Amerika. (RIVM rapport 2012).
Uit de eerste resultaten van het chlamydia-screeningsonderzoek (CSI) blijkt dat ook onder jongeren, die deelnamen aan het onderzoek, chlamydia aanzienlijk vaker voorkomt in de Surinaamse en Antilliaans/Arubaanse groep (8,2 en 9,8 procent ) (van Bergen, 2009). Opvallend is ook het hoge aantal dubbelinfecties onder de Surinaamse, Antilliaanse en Arubaanse groep. 19 procent van alle dubbelinfecties komt voor onder deze groep. Het gaat hier dan hoofdzakelijk om een dubbelinfectie van chlamydia en gonorroe (proefschrift M. van Veen, 2010).
Voor wat betreft chlamydia wordt een relatief groot aantal infecties ook gevonden onder heteroseksuele mannen uit Noord-Afrika/Marokko, Latijns-Amerika en Oost-Europa, met percentages positieve testen van rond de 15 procent . (RIVM rapport, 2012)
Hiv-infectie
Op basis van de gegevens in 2011 bleek dat van de totale populatie geregistreerde hiv-geïnfecteerden in Nederland 59 procent autochtone Nederlander is, 15 procent afkomstig uit Sub-Saharaans Afrika en 4 procent uit het Caribische gebied (SHM, 2011).
Volgens modelberekening voor de groep heteroseksuelen liggen deze verhoudingen anders (van Veen 2010). Nieuwe infectie die via heteroseksueel contact is overgedragen zou in 53 procent van de gevallen gevonden worden bij personen afkomstig uit Sub-Sahara Afrika, in 26 procent van de gevallen bij personen uit het Caribisch gebied en in 21 procent van de gevallen bij autochtone Nederlanders (van Veen, 2010). Hiv-prevalenties die voor dit model gebruikt zijn, zijn afkomstig uit een eerdere studie ‘hiv survey among migrants in Amsterdam’ (2003-2004). Voor de Surinaamse en Antilliaans/Arubaanse groep zou de hiv-prevalentie 0,4 procent bedragen.
Swingers
Van swingers wordt meer en meer bekend dat ook zij een belangrijke risicogroep vormen voor het oplopen van soa’s. Uit onderzoek van de GGD Zuid-Limburg blijkt dat de prevalentie van chlamydia, gonorroe en chlamydia/gonorroe dubbelinfectie respectievelijk 6,4 procent , 4,3 procent en 10,4 procent is. Vooral de oudere swingers (> 45 jaar) blijken relatief een hogere chlamydia- en gonorroe-prevalentie te hebben (13,7 procent ). Het aandeel swingers met deze infecties neemt toe met de leeftijd. Boven de 45 jaar wordt 55 procent van alle chlamydia- en gonorroediagnoses bij swingers gevonden, tegenover 31 procent bij MSM (Dukers –Muijers, 2010).
Prostituees/prostituanten
10,8 procent van mannelijke heteroseksuele soa- polikliniekbezoekers in 2010 heeft in de voorafgaande zes maanden een prostituee bezocht. 9,9 procent van alle vrouwelijke bezoekers heeft in de voorafgaande zes maanden gewerkt als prostituee.
De percentages van chlamydia-infectie gevonden bij prostituees en prostituanten is respectievelijk 7,8 procent en 7,9 procent . Dit ligt lager dan de percentages die gevonden worden bij overige heteroseksuele mannen en vrouwen die de soa-poli bezoeken. (RIVM rapport, 2012)
In 2010 was het algemene soa-vindpercentage op de GGD-soa poliklinieken voor prostituees 10 procent en voor de mannelijke cliënten 9 procent . Dit in vergelijking met het algemeen vindpercentage van soa’s op de GGD-soa-poliklinieken van 14 procent . (RIVM rapport 2011).
Uit peilingen onder prostituees in Rotterdam en Amsterdam in 2002/2003 bleek de hiv-prevalentie 7 procent te zijn en sterk te verschillen naar werkomgeving. Op de tippelzone in Rotterdam was de prevalentie 12 procent en in clubs 2 procent. In 2005 werd bij een hiv-survey in Den Haag bij vrouwelijke prostituees geen enkele hiv-infectie gediagnosticeerd. De prevalentie van hiv onder verslaafde prostituees is volgens de cijfers in 2005 duidelijk hoger (11-22 procent ) dan onder niet-verslaafde prostituees. De prevalentie van hiv onder transgender prostituees is met 17 tot 20 procent zeer hoog (RIVM, 2006).
Meer informatie over soa en hiv:
- RIVM rapport, 2012: Sexually transmitted infections, including HIV, in the Netherlands in 2011
- RIVM rapport, 2011; Sexually transmitted infections including HIV, in the Netherlands in 2010
- RIVM rapport, 2010: Sexually transmitted infections including HIV, in the Netherlands in 2009
- Stichting Hiv Monitoring report 2011; Monitoring of human immunodeficiency virus (HIV) infection in the Netherlands
- Stichting Hiv Monitoring report 2010; Monitoring of human immunodeficiency virus (HIV) infection in the Netherlands
- Stichting Hiv Monitoring report 2009: Monitoring of human immunodeficiency virus (HIV) infection in the Netherlands
- van Veen MG. HIV & STI epidemiology in high-risk populations in the Netherlands. Amsterdam: Universiteit van Amsterdam; 2010.
- Dukers-Muijrers NH, Niekamp AM, Brouwers EE, Hoebe CJ. Older and swinging; need to identify hidden and emerging risk groups at STI clinics. Sex Transm Infect. Jun 24.
- van Bergen JEAM, van den Broek IVF, Brouwers EEHG, de Feijter EM, Fennema JSA, Götz HM, et al. Chlamydia Screening 2008-2010; resultaten eerste ronde. 2009 (geciteerd 22 juni 2010).